Het is de gewoonte om na het maken van je drukvorm een oplage te gaan drukken. Dat betekent gewoon dat je niet stopt na één afdruk, maar gebruik maakt van de mogelijkheid om weer opnieuw in te inkten en te drukken. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar er zijn mensen die deze techniek voor het eerst tegenkomen en veronderstellen dat het moeizame proces van het maken van een drukvorm er nu eenmaal bij hoort. Zoals je bij het schilderen een doek kunt prepareren, een palet moet zagen, kwasten kunt kopen en verf moet mengen.
De drukvorm leent zich er uitstekend voor om méér afdrukken te maken. Dat is geen wet (blijf gerust die ene afdruk maken als je dat wilt) maar wel logisch.
De vraag roept zich dan meteen op: hoeveel afdrukken gaan er in een oplage? Vraag je dat aan de drukker van een landelijk dagblad, dan krijg je een ander antwoord dan van een grafisch kunstenaar. Die laatste kan er ook wat langer mee bezig zijn: menig grafisch kunstenaar wil nog wel eens van het oorspronkelijke plan afwijken en je hebt ze zelfs die maar ergens beginnen en wel zien hoe ze eindigen.
Die kunstenaar kan dan wellicht een maand bezig zijn met één prent (in verschillende kleuren waarschijnlijk) en besluiten dat het na tien drukken wel goed is, zo. De krantenuitgever weet ongeveer hoeveel hij er gaat afzetten, die kunstenaar moet over het algemeen zijn publiek nog vinden.
Als je gaat drukken, en dat geldt voor zowel de commerciële- als de kunstdrukker, moet je rekening houden met misdrukken. Bij postzegels is dat heel fijn, die worden veel waard, bij kranten is het een ramp, mensen gaan klagen, en misdrukken van kunstenaars krijg je gewoon niet te zien. Dat betekent dus dat je de beoogde oplage moet verhogen met het aantal misdrukken. Daar is geen regel voor, het hangt af van de deskundigheid van de drukker.





